De vorming van het ‘zwakke’ preteritum in de zuidelijke Nederlandse dialecten: een tentatieve benadering van twee aspecten

Johan Taeldeman

Samenvatting


In dit artikel worden twee aspecten behandeld van de preteritummorfologie in het zuidwestelijke gedeelte van het Nederlandse taalgebied: (a) de variatie in het ‘zwakke’ preteritumsuffix, en (b) de overgang van ‘sterke’ naar ‘zwakke’ preteritumvormen. Wat het eerste betreft, valt op dat tweesyllabige preteritumsuffixen tot dit ZW gebied beperkt zijn. In hetzelfde gebied is de eind-schwa bewaard, zodat een verband tussen beide fenomenen aannemelijk lijkt. Algemeen is voor (b) de hypothese dat elke vervoegde presensvorm ook een basisvorm kan zijn voor de zwakke verleden-tijdsvormen.

Bijzondere aandacht gaat naar het enige bisyllabische preteritumsuffux dat tot op vandaag ‘actief’ gebleven is: het hoofdzakelijk Oost-Vlaamse ‘zwakke' preteritumvorm die eindigt op -təγə/-dəγə (e.g. hij maaktəgə ‘hij maakte’). Dit proces is niet verzwakt in de jongste 150 jaar, en bovendien is het in deze streek dat ‘sterke’ preteritumvormen (met klinkerverandering) het meest succesvol vervangen worden door ‘zwakke’. Naar alle waarschijnlijkheid draagt de doorzichtigheid van het -təγə/-dəγə-suffix bij tot overleving in ruimtelijke zin en expansie in structurele zin: meer overgang van ‘sterke' naar ‘zwakke’ preteritumvormen.

Abstract

This article focuses on two aspects of the morphology of the simple past in the southwestern quarter of the Dutch language area: (a) the variation in the ‘weak’ preterite suffix and (b) the transition from ‘strong’ to ‘weak’ preterite forms. With respect to (a) we found out that only this part of the Dutch language area exhibits bisyllabic preterite suffixes. Since this is also the area where final schwa was preserved, it is suggested that there is a causal link between both phenomena. My overall claim concerning (b) is that every finite form of the present tense (e.g. makə, mak(ə)t, makən) could/can be the basis for the formation of the weak simple past forms.

Special attention is paid to the only bisyllabic preterite suffix that remained ‘active’ even until today: the mainly East Flemish ‘weak’ past tense forms ending in -təγə/-dəγə (e.g. hij maaktəγə = he made). In the course of the last 150 years it did not really lose ground and, in addition, it is exactly in the -təγə/-dəγə-area that ‘strong’ preterite forms (with vowel mutation) are being replaced by ‘weak’ ones most successfully. It seems likely that the transparency of the suffix -təγə/-dəγə contributes to its survival (in the spatial sense) and its expansion (in the structural sense: more transitions from ‘strong’ to ‘weak’ preterite forms).


Volledige tekst:

PDF


Verslagen & Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde
ISSN 2033-6446 (online)
ISSN 0770-786X (druk)