De werkwoordelijke eindgroep en nog steeds geen einde?

Georges De Schutter

Samenvatting


Samenvatting

In de studie van de woord- en constituentordening van het Nederlands neemt de verbale eindgroep al een halve eeuw een prominente plaats in. Deze tekst gaat uitsluitend over tweeledige woordgroepen; in zulke verbale eindgroepen lijkt de positie van de twee componenten ten opzichte van elkaar absoluut vrij; dit is in flagrante tegenspraak met het Humboldtiaanse principe van de een-op-een-relatie tussen vorm en betekenis. Het overvloedige onderzoek van de laatste halve eeuw is recent heel adequaat samengevat door De Sutter, Speelman en Geeraerts (2007) in het Principe van Ritmische Alternantie (PRA). Dit principe stelt dat in contexten waarin de eindgroep gecombineerd wordt met een focalische (en dus ook sterk beklemtoonde) constituent, bij voorkeur oppervlaktestructuren gebruikt worden met maximale afstand tussen de zwaar betoonde constituent en het VD, dat ook een zwaar accent draagt. Extrapositie van de focalische constituent zal dus een factor zijn om het hulpwerkwoord achter het VD te plaatsen (b.v. dat hij het gedaan heeft voor je eigen welzijn), terwijl het hulpwerkwoord bij voorkeur op de eerste plaats komt als een 'primaire constituent' aan de werkwoordgroep voorafgaat (b.v. dat hij naar huis is gelopen). Dit verklaringsmodel is buitengewoon succesrijk. Er is maar een type van werkwoordelijke eindgroep dat zich aan de verklarende kracht van het PRA onttrekt: dat met een scheidbaar samengesteld hoofdwerkwoord (b.v. mee-nemen). In die categorie is er meestal geen verschil in afstand tussen het eerste en het tweede deel van de combinatie, welke volgorde ook optreedt, cf. (dat ze het) heeft meegenomen – meegenomen heeft; toch is er een uitgesproken voorkeur voor de volgorde met hulpwerkwoord voor VD. Om die sterke tendens te verklaren, wordt in deze tekst een Principe van Metrische Alternantie (PMA) naast het PRA geplaatst: in de werkwoordelijke eindgroep blijkt een sterke voorkeur te bestaan voor regelmatige jambische patronen. Natuurlijk kunnen er conflicten bestaan tussen tendensen op basis van PRA en PMA. De tekst gaat niet in op dit type van conflicten, omdat daarvoor een veel groter corpus nodig is dan mij ter beschikking stond.

De bespreking van het PMA volgt op een samenvatting van alle essentiële elementen van het historische én het synchrone onderzoek over de ordeningsalternantie in de werkwoordelijke eindgroep.

Zowel het PRA als het PMA worden geïllustreerd met statistische waarnemingen aan een nieuw samengesteld corpus. Op die manier kan hopelijk de impact van het ‘nieuwe’ PMA op voorafgaand onderzoek gemeten worden.

Abstract

Among the characteristics of word and constituent ordering in Dutch the sentence final verb group occupies a prominent place, and has been doing so since the nineteen sixties. This article is solely concerned with binary groups. In such verbal groups the two elements appear to be absolutely free in their mutual positions, and this seems to be a refutation of the Humboldtian principle of the one to one relation between form and meaning. The ample research of the past half century was summarised recently in the Principle of Rhythmic Alternation (PRA), by De Sutter, Speelman & Geeraerts (2007). This principle says that contexts in which the final verb group is combined with a strong focal (and thus heavily stressed) constituent favour surface structures with maximal distance between the heavily stressed constituent and the PP, which is also strongly stressed. Thus extraposition of the focal constituent will naturally cause the auxiliary to be put behind the PP (e.g. dat hij het gedaan heeft voor je eigen welzijn), whereas auxiliaries tend to come first if a 'primary constituent' precedes the final verb group (e.g. dat hij naar huis is gelopen). This explanatory model proves extremely successful.

There is only one type of final verb group that does not fall within the explanatory scope of the PRA, namely the one with a discontinuous compound (e.g. mee-nemen 'take along') as a main verb. In this category the ordering variation does not usually cause a difference in distance between the first and the second part of the combination; cf. (dat ze het) heeft meegenomenmeegenomen heeft); still there is a marked preference for the word order with aux preceding PP. To explain this strong tendency, this text argues for a Principle of Metric Alternation (PMA), as a complement to the PRA: there appears to be a strong preference for regular iambic metrical patterns in the final verb group. It is clear that there may be a conflict between tendencies due to PRA and PMA. The text does not go into this or any other 'conflict', because a much larger corpus will be needed to get any insight into such problems.

The discussion of the PMA is preceded by a summary of all essential elements of both historical and synchronic research on the ordering alternation in the final verb group. Both the PRA and the PMA are illustrated with the results of statistic research on a new corpus. In this way the impact of the newly postulated PMA on pre-existing research can be measured.


Volledige tekst:

PDF


Verslagen & Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde
ISSN 2033-6446 (online)
ISSN 0770-786X (druk)