De academische blik op het literaire oeuvre van Jan de Roek. Beschouwingen bij een beperkt receptieoverzicht

Yves T'Sjoen

Samenvatting


Samenvatting

De Vlaamse experimentele dichter en academicus Jan de Roek (1941- 1971) werkte jarenlang aan een dichtbundel, Jeunesse dorée, die tijdens zijn leven niet is uitgegeven. De eerste editie van dit lange gedicht (ook wel een reeks gedichten genoemd) verscheen in de Verzamelde gedichten (Pink Editions and Productions, 1980).

Vanaf de uitgave van De Roeks verzameld werk, verschenen in twee banden (gedichten en essays) in het voorjaar van 1980, is door de literaire kritiek in Vlaanderen vooral aandacht besteed aan de thematiek van het oeuvre en de literair-institutionele positie van de schrijver. De Roek is voorgesteld als een intermediair tussen jonge studenten- dichters van de VUB, als organisator van literaire groeperingen en redacteur van experimentele periodieken (zoals Impuls).

De kritische aandacht voor De Roek verdween geleidelijk in de jaren tachtig en negentig. De academici Brems en De Geest wezen in hun veel geciteerde studie ‘Opener dan dicht is toe’. Poëzie in Vlaanderen 1965-1990 op de belangrijke rol van De Roek in het subveld van de neo- of postexperimentele poëzie in het Vlaamse literaire systeem. In zijn al even frequent geciteerde literatuurgeschiedenis voor de periode 1945-2005, Altijd weer vogels die nesten beginnen (2006), benadrukte Brems het belang van De Roeks literaire erfenis voor de ontwikkeling van het werk van de ‘maniëristische’ Pink Poets (in de jaren zeventig).

Na de uitgave van Hotel New Flandres (2008) is een hernieuwde aandacht voor Jan de Roek ontstaan. Met acht geselecteerde gedichten (in feite drie fragmenten uit Jeunesse dorée en vijf verspreid gepubliceerde gedichten) wordt de ‘oeuvredichter’ neergezet als een van de belangrijke spelers in het naoorlogse literaire veld in Vlaanderen.

De nieuwe anthologie met teksten uit De Roeks essayistische en literaire oeuvre, Ik ben de overlevende (2011), laat een verschuiving in de kritische aandacht zien. De thematische en institutioneel-poëticale benadering wordt ingeruild voor een meer contextuele lezing van De Roeks gedichten. De aandacht voor literatuurhistorische context, invloeden en netwerken vertrekt vanuit de tekst. In deze paper worden aan deze verschuiving in de beeldvorming van De Roeks literaire werk enkele beschouwingen gewijd.

Abstract

For years the Flemish experimental poet and academic essayist Jan de Roek (1941-1971) worked on Jeunesse dorée, a book of poetry which was not published during his lifetime. The long poem (also called a series of poems) appeared for the first time in the posthumously edited collected works (Pink Editions and Productions, 1980).

Since the appearance of De Roek’s collected works, published in two volumes (poetry and essays) in the Spring of 1980, literary critics in Flanders focused on the author’s poetics and, more specifically, on his literary-institutional position. De Roek is presented as an intermediary between young poets studying at the VUB (University of Brussels), as the organizer of literary circles and as the editor of experimental periodicals (such as Impuls).

The critical interest in the literary personality of De Roek gradually disappeared in the eighties and nineties. Only Brems & De Geest (1991) pointed at De Roek’s crucial role in (the development of) the Flemish (post)experimental poetry. In 2006, in his history of postwar literature in the Netherlands and Flanders, Brems emphasized the importance of De Roek’s literary heritage for the ‘mannerist’ group of Pink Poets (in the seventies).

Since 2008, with the publication of the anthology Hotel New Flandres, we remark a (renewed) interest in De Roek’s poetry. With eight poems (or three fragments of Jeunesse dorée and five other poems) De Roek is considered as one of the major players in the Flemish literary field since 1945. The new anthology with essays and poems of De Roek, published in 2011 (Ik ben de overlevende), shows a remarkable shift in the critical attention for the author. In Vandevoorde’s introductory text, the thematic and poetical approach is replaced by an institutional and especially a more historicalcontextual take on De Roek’s poems and public appearance. This focus on context, influence and networks can be undertaken by a referential reading of the text. In this paper I will focus on the shift in the critical reception of De Roek’s literature from context to text and to the context again.


Volledige tekst:

PDF


Verslagen & Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde
ISSN 2033-6446 (online)
ISSN 0770-786X (druk)