'De poëzie blijft waar ze is' – of toch niet? Herhaling, herneming en herinnering in de gedichtenbundels van Frank Koenegracht

Peter W Kegel

Samenvatting


Verspreid over een periode van veertig jaar publiceerde de Nederlandse dichter Frank Koenegracht (Rotterdam, 1945) negen gedichtenbundels. Twee daarvan, De verdwijning van Leiden. Gedichten 1971-1981 (1989) en Vroege sneeuw. Gedichten 1971-2003 (2003) zijn door de auteur verzorgde bloemlezingen. In de beide bloemlezingen brengt Koenegracht opvallende wijzigingen aan in de eerder gepubliceerde gedichten. De aard van die veranderingen maakt dat beide bloemlezingen een heel verschillende tendens tonen: De verdwijning van Leiden vertegenwoordigt Koenegrachts literatuuropvatting van 1989, terwijl Vroege sneeuw vooral de ontwikkeling van zijn poëzie over een reeks van jaren laat zien. Overigens is deze tendens door de eigenzinnigheid van Koenegrachts herschrijvingen allerminst eenduidig. Bovendien blijft het herschrijven en recycleren van gedichten bij Koenegracht niet beperkt tot de bloemlezingen. Ook in zelfstandig verschenen gedichtenbundels maakt Koenegracht volop gebruik van recyclagetechnieken, bijvoorbeeld in Zwaluwstaartjes (1994) en Alles valt (1999). Koenegracht bedient zich daarbij onder andere van woord- en beeldherhalingen, citeert fragmenten van bestaande gedichten in nieuwe teksten en plaatst eerder gepubliceerde gedichten in een nieuwe bundelcontext. Het bewust herhalen en hernemen van al gepubliceerd werk is op te vatten als een spel, waardoor de met het oeuvre bekende lezer niet alleen binnen de bundel, maar ook over de bundelgrenzen heen nieuwe verwijzingen en vormen van samenhang ervaart.

Abstract
Over a period of forty years, Dutch poet Frank Koenegracht (Rotterdam, 1945) published nine volumes of poetry, among which are two anthologies: De verdwijning van Leiden. Gedichten 1971-1981 (1989) and Vroege sneeuw. Gedichten 1971-2003 (2003). Both volumes contain many revised versions of the previously published poems, but both anthologies show a different tendency: whereas De verdwijning van Leiden more or less represents a momentary view of literature, Vroege sneeuw to a much greater extent shows the development in Koenegracht’s poetry. But due to the whimsicality of Koenegracht’s revisions, this tendency remains ambiguous. Next to that, the practice of revising and rewriting is also visible in individual collections of poetry, such as Zwaluwstaartjes (1994) and Alles valt (1999). In what can be seen as a poetics of recycling Koenegracht uses many lexical citations, recycles fragments of earlier poems in new ones and even republishes whole poems in his new collections. This playful acting enables the reader of Koenegracht’s poetry to establish new connections between poems within the individual collections of poetry and throughout the work as a whole.

Volledige tekst:

PDF


Verslagen & Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde
ISSN 2033-6446 (online)
ISSN 0770-786X (druk)