Ridders op het Amsterdamse toneel

De Palmerijn-stukken van Bredero

  • Hubert Meeus

Samenvatting

Bredero heeft de stof voor drie van zijn ernstige toneelstukken Rodd’rick ende Alphonsus (1611), Griane (1612) en Stommen ridder (1618) ontleend aan de Nederlandse vertaling van de Spaanse ridderroman in proza Palmerijn van Olijve, verschenen bij Jan Jansz in Arnhem in 1602. Algemeen wordt aangenomen dat Bredero in 1611 tot de kamer De Eglentier toetrad, maar het lijkt weinig waarschijnlijk dat iemand die pas lid is, een voldragen stuk als Rodd’rick ende Alphonsus heeft geschreven. Bredero zal ongetwijfeld al vroeger lid geweest zijn. De stukken van Bredero zijn uitgegeven door Cornelis Lodewijckszoon vander Plasse, die waarschijnlijk wel belangstelling had voor dergelijke stof, aangezien hij ook een aantal delen van de Nederlandse vertaling van de Amadis-roman heeft uitgegeven. Met zijn Palmerijn-spelen introduceerde Bredero volledig nieuwe stof op het Nederlandse toneel, maar het valt op dat hijzelf noch de uitgever Vander Plasse daar ergens in de edities de nadruk op legt. Nieuw is ook dat Bredero passages uit een roman gebruikt, waar de meeste contemporaine auteurs opteren voor de bewerking van een novelle. Voor het Amsterdamse publiek waren ridders vrij exotische wezens met normen die vreemd waren aan de stad. Bredero gebruikt zelfs het woord ‘ridder’ zeer weinig behalve dan bij de duels, de meest typische scènes voor de ridderwereld. Dit leidt tot het besluit dat Bredero de ridderstof vooral met een ethisch-didactische bedoeling gebruikt als vehikel om contemporaine waarden uit te dragen.

Gepubliceerd
2023-04-13